Eiken-Beukenbossen met Wilde hyacint en Parelgras-Beukenbossen

Dit habitattype omvat de beukenbossen met een goed ontwikkelde voorjaarsflora, die voorkomen op pH-neutrale bodems met een goed verteerde humuslaag. In Vlaanderen onderscheiden we twee subtypes.
1) Een type met Eenbloemig parelgras en Lievevrouwebedstro in de kruidlaag. Goed ontwikkeld vind je dit enkel in de Voerstreek. Kleine plekjes die niet zo goed ontwikkeld zijn, vind je ook in de Vlaamse Ardennen.
2) Een tweede type waarbij tapijten van Wilde hyacint karakteristiek zijn. Daarnaast komt veel Wijfjesvaren voor, evenals Bosanemoon, en op vochtige plaatsen ook Daslook. Dit type vind je enkel in het westen van Vlaanderen.

Bossen
9130
Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum
Eiken-Beukenbossen met Wilde hyacint en Parelgras-Beukenbossen

Dit habitattype omvat de beukenbossen met een goed ontwikkelde voorjaarsflora in het Midden-Europees en Atlantisch deel van West-, Centraal- en Oost-Europa, die voorkomen op pH-neutrale bodems met goed verteerde, sterk gemineraliseerde humuslaag.
In Vlaanderen worden twee subtypes onderscheiden:

- Het Midden-Europese neutrofiel beukenbos is in Vlaanderen zeer zeldzaam en wordt vaak benoemd als Parelgras- Beukenbos. Dit type, met dominantie van Beuk, komt enkel in de Voerstreek goed ontwikkeld voor en verder marginaal in de Vlaamse Ardennen. Kenmerkende soorten in de kruidlaag zijn Eenbloemig parelgras en Lievevrouwebedstro. Daarnaast vind je in deze bossen soorten van neutrale tot kalkrijke bodem zoals Bosbingelkruid, Heelkruid, Ruig klokje, Amandelwolfsmelk en Vogelnestje.

- Het Atlantische neutrofiel Beukenbos (Eiken-Beukenbos met Wilde hyacint) omvat bossen met dominantie van Zomereik, Es of Beuk, aangevuld met Gladde iep en Zoete kers. Karakteristiek is de aanwezigheid van tapijten van Wilde hyacint. Daarnaast komt veel Wijfjesvaren voor, evenals Bosanemoon, en op vochtige plaatsen ook Daslook. Typische Atlantische soorten zijn Spekwortel en Schedegeelster. De wat zuurdere variant van dit bostype heeft soorten gemeen met de Eiken-Beukenbossen op zure bodem (9120) zoals Witte klaverzuring en Bosgriestgras. De meer neutrale variant heeft veel soorten gemeen met het Essen-Eikenbos (9160). Het verschil zit hem in de aanwezigheid van Wilde hyacint.

In zowel het Parelgras-Beukenbos als het Eiken-Beukenbos met Wilde hyacint komen soorten voor als Hazelaar, Gewone esdoorn, Grauwe abeel en soms ook Haagbeuk, Rode kornoelje, Spaanse aak, Wilde kardinaalsmuts, Eenstijlige meidoorn, Gewone vlier en Gelderse roos. De kruidlaag bestaat uit soorten als Gele dovenetel, Kleine maagdenpalm, Bosanemoon, Gevlekte aronskelk en Grote muur.

Dit type komt voor in Zuid- Engeland, Noord-Frankrijk en de Vlaamse leemstreek ten westen van Brussel.

Dit habitattype is dominant aanwezig in vrijwel alle middelgrote voedselrijke loofboscomplexen in het westen van Vlaanderen. Hierdoor is het van essentieel belang voor een aantal soorten die gebonden zijn aan deze grote boscomplexen of aan de habitatdiversiteit die hier mogelijk is (bv. mantels en interne bosranden). Ook voor het behoud van monumentale oude bomen en de daaraan gekoppelde fauna en flora is dit habitattype van groot belang. Een belangrijk deel van de monumentale bomen (omtrek groter dan 3 meter) in onze bossen bevindt zich in dit habitattype.

Dit habitattype is o.a. zeer belangrijk voor de vogelrichtlijnsoorten Middelste bonte en Zwarte specht en Wespendief, en verder ook voor een groot aantal vogels van structuurrijke loofbossen (o.a. Fluiter, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Bosuil). Oude, dode en kwijnende bomen met holtes zijn essentieel voor soorten als Boommarter, vleermuizen van de bijlage 2 en 4 (o.a. Rosse vleermuis) en voor behoud en ontwikkeling van een rijke gemeenschap van ongewervelde dieren (o.a. Boskrekel), mossen en fungi. Voldoende structuurrijkdom impliceert ook open plekken, mantels en zomen, met geassocieerde fauna en flora (lichtminnende plantensoorten, Hazelworm, Hazelmuis, zweefvliegen van oud bos, Kleine ijsvogelvlinder in mantels en open plekken met Kamperfoelie, enz.). Ook voor Vuursalamander is dit habitattype zeer belangrijk. Dit bostype is rijk aan slakkensoorten. Het continentale type in de Voerstreek herbergt een groot aantal zeldzame soorten. Zo kwam de Geelbuikvuurpad (bijlage 2-soort) nog tot in de jaren 1980 in ondiepe poelen en karrensporen in de bossen van de Voerstreek voor.

Het Parelgras-Beukenbos is uiterst zeldzaam en is vrijwel beperkt tot de rijke (colluviale) zones in de bossen van de Voerstreek. Fragmenten komen voor in het Brabantse district in het Boelarebos en het Raspaillebos te Geraardsbergen en in het Zoniënwoud.
Het beukenbos met Wilde hyacint is eveneens zeldzaam en omvat bossen op leem en rijke zandleem in het Heuvelland, de Vlaamse Ardennen en het westen van Brabant (zoals het Hallerbos te Halle en Bos Ter Rijst te Pepingen).

Een klassiek hooghoutbeheer, dat aan de voorwaarden van een duurzaam multifunctioneel bosbeheer voldoet, en dat rekening houdt met de natuurlijke karakteristieken en vereisten van het bostype, kan verenigbaar zijn met het behoud en de ontwikkeling van het habitattype. Specifieke beheermaatregelen omvatten o.a. zoom- en mantelbeheer, open-plekken-beheer, exotenbestrijding, vrijstellen van soorten die onderdrukt worden door een dicht beukenscherm en maximaal behoud van dikke bomen en dood hout. Lemige bodems zijn zeer gevoelig voor bodemverdichting, zodat de exploitatie hiermee rekening dient te houden.

- Dit bostype is zeer gevoelig voor eutrofiëring door atmosferische depositie en inspoeling van nutriënten vanuit hoger gelegen plateaus en aangrenzende akkers.
- Bodemerosie en/of bodemcompactie door intensieve recreatie of exploitatie.
- Aanplanten van exoten of monotone beukenaanplantingen.
- Grootschalig en/of intensief kapbeheer met grondbewerking, heraanplant en overexploitatie leidt tot habitatdegradatie met weinig oude bomen en dood hout en een zwakke structuurontwikkeling.
- Versnippering.
- Een te hoge wildstand (Ree) bemoeilijkt natuurlijke verjonging.

Herstel en ontwikkeling van deze bostypen vereist het verminderen van de atmosferische depositie en luchtvervuiling en het instellen van bufferzones rondom het bos tegen het inspoelen van meststoffen. Herstel van een meer natuurlijk bostype is mogelijk door natuurlijke successie of actieve omvorming van exoten- en monotone dichte beukenaanplantingen naar bossen met een meer natuurlijke structuur en samenstelling, met bijzondere aandacht voor dikke bomen en dood hout. Tevens is het herstel en de ontwikkeling van een voldoende grote, aaneengesloten bosoppervlakte wenselijk, door bosuitbreiding of verbinding van bestaande bossen.