Porseleinhoen

Porzana porzana
Fauna
Vogels

+

Uitbreiding van het huidige areaal tot 2.000 km²

+

Uitbreiding van de huidige populatie tot jaarlijks minimaal 70 territoria

+

Oplossen van verstoring van de waterhuishouding, niet afgestemd menselijk gebruik, vegetatiewijziging, tekort aan kwaliteit van het leefgebied. Uitbreiding van het leefgebied met 245 - 265 ha nodig onder de vorm van moerassen (grotendeels andere dan rietlanden) en open water, naast de vooropgestelde extra oppervlaktes Europees te beschermen habitats en leefgebied van andere Europees te beschermen soorten en de algemene kwaliteitsverbetering ten gevolge van het huidige milieubeleid.

Het Porseleinhoen is een kleine compacte ral met gele snavel, grijs met wit gevlekte onderdelen en bruin geschubde bovendelen. In tegenstelling tot andere rallen is de onderstaart volledig crèmekleurig. De poten zijn groen. Bij adulten is een beetje rood aan de snavelbasis zichtbaar. Porseleinhoenen vliegen niet snel op en sluipen ongezien weg door de vegetatie. In tegenstelling tot de (hoofdzakelijk nachtelijke) levenswijze is de zang zeer opvallend: een veelvuldig herhaald ‘whuitt’, dat klinkt als een zweepslag.

Het broedareaal omvat Noord-Spanje tot Zuid-Scandinavië, oostelijk tot ver in Azië. Het is bij ons een zomervogel van april tot eind september. De soort overwintert in Afrika. In Vlaanderen is het een zeldzame broedvogel. In natte voorjaren met hoge waterstanden in hooilandgebieden en rietvelden kan het aantal broedparen oplopen tot verschillende tientallen. In droge voorjaren worden soms maar enkele broedpaartjes gevonden. Door zijn zeer verborgen levenswijze is het soms moeilijk een duidelijk beeld van de populatiegrootte te krijgen.

Habitatverlies (bv. door drainage, het omzetten van vochtig weiland naar akker, het beplanten van moerassen met populieren, enz.), verstoring van de nestplaats, verdroging, watervervuiling en intensief agrarisch gebruik van valleigebieden zijn de voornaamste bedreigingen voor de soort. Zoals veel moerasvogels zijn Porseleinhoentjes door hun levenswijze uiterst kwetsbaar voor plotse waterschommelingen.

Het beheer moet gericht zijn op het creëren, uitbreiden en in stand houden van geschikt nat habitat, d.w.z. voldoende grote gebieden waarin een combinatie voorkomt van een zone met ondiep, permanent water van hooguit een 20-tal centimeter diep (nestplaats) en overgangszones naar een gevarieerde mozaïekvegetatie bestaande uit grassen, zeggen en andere moerasplanten (foerageergebied). Geregeld maaien is bovendien aangewezen om verbossing tegen te gaan of te vertragen. De belangrijkste maatregel is het tegengaan van verdroging. Bovendien moet voldoende rust gegarandeerd worden.

De soort leeft in riet- en zeggenmoerassen met een gevarieerd reliëf en een vrij stabiele waterstand. Er moet altijd voldoende plaats zijn om tussen de vegetatie op de bodem te kunnen lopen. Soms lopen ze uit de vegetatie op de slikrandjes langs het water. Het voedsel bestaat grotendeels uit insecten en weekdieren, die worden gevangen tussen de vegetatie en op de slikranden. Het nest wordt gemaakt in een zeggen- of pitruspol in ondiep water. In Vlaanderen komt de soort vooral voor in moerassen, turfputten, ondergelopen weiden, sterk begroeide vijverranden of verlandende waters.

Jaarlijkse broedvogel