Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Specifieke natuurdoelen

Voortbouwend op de sterktes van het gebied zal de kwaliteit verder verbeterd worden. We willen de monumentale en oude bomen behouden, naaldbos omzetten naar loofbos, het aandeel van dood hout in het bos verhogen en goed uitgekozen boszomen en bosranden ontwikkelen... Daarnaast zal heide op meerdere plaatsen worden hersteld als open plekken in het bos of in combinatie met grasland. Ten slotte zullen meer zeldzame waterplanten een kans krijgen in de vijvers.

Dit zijn de specifieke natuurdoelen voor gebied 'Zoniënwoud':

Zoniënwoud

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename van ± 1 ha naar 8 ha. Voor een goede kwaliteit op vlak van fauna: bij voorkeur habitatvlekken > 5 ha

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Natuurlijke, heldere vijversystemen met een grote verscheidenheid aan drijvende en ondergedoken waterplanten en een natuurlijke oevervegetatie. Om de kwaliteitsdoelstellingen te halen moet naar een natuurlijke waterhuishouding van de vijvers gestreefd worden, een goede waterkwaliteit beoogd worden, en de eutrofiëring weggewerkt worden. Bij het herstel van dit habitat zal ook aandacht gaan naar het gebruik ervan door vogels en het verhogen van de insectenrijkdom (voldoende voedselaanbod voor vleermuizen).

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Habitattoename van relicten naar minimaal 4 ha heidevegetaties.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Op termijn moet een goede tot uitstekende staat van instandhouding kunnen worden behaald door een aangepast beheer. Bij het herstel van dit habitat zal ook aandacht gaan naar het verhogen van de insectenrijkdom (voldoende voedselaanbod voor vleermuizen).

Oppervlaktedoelstelling
=
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Maximaal behoud van dit habitattype en waar mogelijk toename van de bestaande habitatvlekken. In totaal toename van 456ha (actueel) naar 471ha door omvorming uit 9120. Minstens behoud van bestaande kalkrijke struwelen habitat 6210 (± 5 ha).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Globaal wordt een goede tot uitstekende staat van instandhouding nagestreefd daarvan op middellange tot lange termijn 20-150 ha een uitstekende score (A-score) zou moeten halen. Een maximaal behoud van monumentale bomen (zie 9120) moet verzekerd worden. Dit door een bosbeheer in te stellen dat gericht is op het verhogen van de lichtinval in het bos en het herintroduceren van voor dit habitattype typische boomsoorten die een verbetering van de standplaats (goede humusvormers) verzekeren (terugdringing verzuring) zowel in de boom- als struiklaag. Fauna-indicatoren van een goede habitatkwaliteit: Houtsnip, Havik, Boommarter, Wespendief (Bijlage IV-soort), Zwarte specht (Bijlage IV-soort), Middelste bonte specht (Bijlage IV-soort), Vleermuizen (Bijlage II & III-soorten), Vuursalamander, Das, hazelworm, Kleine ijsvogelvlinder, Vliegend hert, Grote Weerschijnvlinder.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename van de actuele 8 ha naar 55 ha (toename met 29 ha 6230; 17 ha 6510)
Eén grote habitatvlek creëren in de grote renbaan van Groenendaal.(Ha en Hu) Voor een goede kwaliteit op vlak van fauna: bij voorkeur habitatvlekken > 30 ha. In de Koninklijke schenking en de Corneliusdelle wordt het habitat zoveel mogelijk vlakdekkend hersteld. Plaatselijk is een droog heischraal grasland (Hn) mogelijk.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbeteren van de habitatkwaliteit door het instellen van een gericht beheer:

  • terugdringen voedselrijkdom, verbossing, verruiging (inc. Adelaarsvaren
  • het vergroten van de habitatvlekken en door het creëren van natuurlijke gradiëntrijke situaties.
  • verbindingen tussen open plekken creëren.
  • ontwikkelen van mantelzoom- vegetatie op de bosrandzone.

Bij het herstel van deze habitats zal ook aandacht gaan naar het gebruik ervan door vogels. Het verhogen van de insectenrijkdom binnen deze habitats is een belangrijke doelstelling. Zowel voor de insecten an sich, als voor zeldzame soorten die insecten als voedselbron hebben, zoals de vleermuizen en vogels.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Minstens behoud (±1 ha). Afwisseling met RBB dottergraslanden nastreven.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Een verbetering van de kwaliteit van de moerasspirearuigten door het instellen van een gericht beheer.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Voor de vochtige boszomen in de SBZ wordt gestreefd naar een toename (actueel oppervlakte onbekend).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Een verbetering van de kwaliteit van de boszomen door het instellen van een gericht beheer. Om te kunnen evolueren naar een goede tot uitstekende staat van instandhouding is het noodzakelijk om voldoende brede boszomen te maken en door verbindingen tussen open plekken te creëren.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename van de actuele 8 ha naar 55 ha (toename met 29 ha 6230; 17 ha 6510)
Eén grote habitatvlek creëren in de grote renbaan van Groenendaal.(Ha en Hu) Voor een goede kwaliteit op vlak van fauna: bij voorkeur habitatvlekken > 30 ha. In de Koninklijke schenking en de Corneliusdelle wordt het habitat zoveel mogelijk vlakdekkend hersteld. Plaatselijk is een droog heischraal grasland (Hn) mogelijk.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbeteren van de habitatkwaliteit door het instellen van een gericht beheer:

  • terugdringen voedselrijkdom, verbossing, verruiging (inc. Adelaarsvaren
  • het vergroten van de habitatvlekken en het creëren van natuurlijke gradiëntrijke situaties.
  • verbindingen tussen open plekken creëren.
  • ontwikkelen van mantelzoom- vegetatie op de bosrandzone.

Bij het herstel van deze habitats zal ook aandacht gaan naar het gebruik ervan door vogels. Het verhogen van de insectenrijkdom binnen deze habitats is een belangrijke doelstelling. Zowel voor de insecten an sich, als voor zeldzame soorten die insecten als voedselbron hebben, zoals de vleermuizen en vogels.

Oppervlaktedoelstelling
=
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Behoud en toename van 2014 ha (actueel) tot 2043 ha, door omvorming uit naaldhout (max 30 ha), in de overgangstypen tussen 9120 en 9160 worden herstelmaatregelen (80 ha op middellange termijn) genomen om hoofdboomsoort Eik of secundaire boomsoorten te bevorderen en de bosstructuur te verbeteren. Als gevolg van deze herstelmaatregelen zullen er habitatverschuivingen naar boshabitats 9160,9130,91E0 plaatsvinden. De mate van het succes is moeilijk voorspelbaar.
Afname ten voordele van andere habitats is toegelaten.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Globaal wordt een goede tot uitstekende staat van instandhouding nagestreefd over de volledige bosoppervlakte binnen SBZ. Waarvan 20- 150 ha een uitstekende score (A-score) kan halen op middellange tot lange termijn. Het aantal monumentale bomen (> 300 cm) moet maximaal behouden worden. Deze bomen dienen in voldoende mate verspreid in het bos te blijven voorkomen (o.a.. door verouderingseilanden).

De habitatstructuur kan verder verbeterd worden door meer variatie in de horizontale en verticale structuur te brengen waaronder het ontwikkelen van een struiklaag, het creëren van bijkomende en voldoende grote open plekken, het verhogen van aandeel staand en liggend dood hout en een gevarieerdere soortensamenstelling en het creëren van interne als externe bosranden. Overgangs- en gradiëntsituaties (tussen droog-nat, opengesloten …) zijn waardevol en moeten zeker versterkt worden.

Om verdere verzuring van het habitat te counteren en het areaal van het Gierstgras-Beukenbos (Milio-fagetum) te behouden, dienen aangepaste maatregelen genomen te worden: verbeteren van humuskwaliteit door aangepaste boomsoortenkeuze in boom – en struiklaag. Fauna-indicatoren van een goede habitatkwaliteit: Havik, Boommarter, Das, Wespendief, Zwarte specht, Middelste bonte specht, Vleermuizen, Fluiter, Levendbarende hagedis, Hazelworm, Vliegend hert

Oppervlaktedoelstelling
=/+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Behoud en waar mogelijk toename van de bestaande habitatvlekken van 21 ha (actueel) naar 30 ha, door omvorming uit 9120.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Globaal wordt een goede tot uitstekende staat van instandhouding nagestreefd. Monumentale bomen (zie 9120). Fauna-indicatoren van een goede habitatkwaliteit [*]: Houtsnip, Havik, Boommarter, Wespendief, Zwarte specht, Middelste bonte specht, Vleermuizen, Vuursalamander, Das, Hazelworm, Kleine ijsvogelvlinder, Vliegend hert, Grote Weerschijnvlinder.

[*] Onderstreepte soorten zijn soorten van bijlage I, II, III of IV van het natuurdecreet

Oppervlaktedoelstelling
=/+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Maximaal behoud van dit habitattype en waar mogelijk toename van de bestaande habitatvlekken. In totaal toename van 456 ha (actueel) naar 471 ha door omvorming uit 9120. Minstens behoud van bestaande kalkrijke struwelen habitat 6210 (± 5 ha).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Globaal wordt een goede tot uitstekende staat van instandhouding nagestreefd waarvan op middellange tot lange termijn 20-135 ha een uitstekende score (A-score) zou moeten halen. Een maximaal behoud van monumentale bomen (zie 9120) moet verzekerd worden. Dit door een bosbeheer in te stellen dat gericht is op het verhogen van de lichtinval in het bos en het herintroduceren van voor dit habitattype typische boomsoorten die een verbetering van de standplaats (goede humusvormers) verzekeren (terugdringing verzuring) zowel in de boom- als struiklaag. Fauna-indicatoren van een goede habitatkwaliteit [*]: Houtsnip, Havik, Boommarter, Wespendief (Bijlage IV-soort), Zwarte specht (Bijlage IV-soort), Middelste bonte specht (Bijlage IV-soort), Vleermuizen (Bijlage II & III-soorten), Vuursalamander, Das, hazelworm, Kleine ijsvogelvlinder, Vliegend hert, Grote Weerschijnvlinder.

[*] Onderstreepte soorten zijn soorten van bijlage I, II, III of IV van het natuurdecreet

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Een toename van 20 ha (actueel) naar 25 ha door bosomvorming uit 9160, 9130 en 9120.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Het habitat moet voldoen aan de leefvereisten van de typische soorten zoals Bronlibel en Grote weerschijnvlinder. Om de kwaliteitsdoelstellingen te halen moet naar een natuurlijke waterhuishouding van de vallei (incl. ligging infiltratiegebieden) gestreefd worden en een goede waterkwaliteit beoogd worden. Grensoverschrijdende aanpak is noodzakelijk (cfr. Europese Kaderrichtlijn Water). Monumentale bomen (zie 9120).

Omschrijving populatiedoelstelling

Aanwezigheid van reproductieve bittervoorn in minimum 50 % van de in SBZ gelegen vijvers (Ijsevallei);
Streefcijfer populatiegrootte: 2500 ind/ha.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Behoud of herstel van een voor bittervoorn geschikt biotoop: zuurstof- en waterplantrijke, zwak stromende of stilstaande waters met zoetwatermossels.
Bij regulier vijverbeheer dient bijzondere aandacht besteed te worden aan de aanwezige populatie van bittervoorn en grote zoetwatermossels (bijvoorbeeld translocatie bij tijdelijke droogzettingen).

Omschrijving populatiedoelstelling

Het voordragen van populatiedoelen voor deze soorten is onmogelijk, aangezien voor alle soorten te weinig gekend is van de populaties in het SBZ. Het is echter wel zinvol om aan te geven op welke vlakken de leefgebieden voor de vleermuissoorten in het SBZ-H kunnen verbeterd worden. Aangenomen wordt dat indien de biotopen maximaal verbeterd worden, de vleermuissoorten die daarbij gebaat zijn eveneens in een goede staat van instandhouding zullen verkeren.

Iedere soort heeft haar eigen ecologische niche en dus haar eigen vereisten inzake zomerverblijfplaatsen, jachtgebieden, winterverblijfplaatsen en connectiviteit. Toch zijn er een aantal algemene kwaliteitseisen te identificeren en kunnen op basis van de jachtbiotopen, aanvullende kwaliteitseisen geïdentificeerd worden. Met die kennis kunnen verbeteropgaven voor de leefgebieden in het SBZ-H geformuleerd worden.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

  • Bescherming, optimalisatie en behoud in een goede staat van alle gekende zomer- en winterverblijfplaatsen in gebouwen (en restanten ervan) in het SBZ-H en zoeken naar opportuniteiten om nieuwe verblijfplaatsen te creëren of te optimaliseren.
  • Toename van het aantal bomen met holten (naar boven uitgerotte spechtenholten, andere rottingsholten en losse schors), met een goede spreiding ervan over het gehele boscomplex. Richtwaarde uit de literatuur : 7 à 10 bomen met holten/ha (Meschede & Heller, 2000). De kans op holteontwikkeling neemt toe met de diameter van de bomen. Uit een studie van Dufour (2003) blijkt dat de kans op holten sterk toeneemt vanaf 250 cm omtrek (=5 % kans op holten). 1 op 3 bomen met een omtrek van 300 cm bleek holten te bevatten. Een toename van het aandeel dikke bomen (>250 cm) is dan ook aangewezen.
  • Defragmentatie van het Zoniënwoud. Het Zoniënwoud wordt gefragmenteerd door belangrijke verkeersaders met een aanzienlijk barrière-effect (E411 en RO). Verlichting en lawaai van dit wegennet vergroot dit barrière-effect nog voor vleermuizen. Deze fragmentatie is voor veel fauna-elementen een ernstig probleem. Alle effecten ervan op vleermuizen zijn nog niet gekend. Van bijvoorbeeld Bechsteins vleermuis is bekend dat ze erg lichtschuw is en drukke verkeeraders helemaal niet oversteekt (Kerth & Melber, 2009). Het nemen van ontsnipperende maatregelen voor het Zoniënwoud is dan ook als essentieel te beschouwen voor een duurzame instandhouding.
  • Vergroten horizontale structuur van het Zoniënwoud : verhogen aandeel open plekken (ruigte, bloemrijk hooiland) en goed ontwikkelde interne en externe bosranden.
  • Vergroten verticale structuur (gelaagdheid) van het Zoniënwoud, maar behoud van een deel van de bossen met weinig ontwikkelde struiklaag. Dit is van belang voor soorten die laag boven de grond vliegen en hun prooien van de bodem afplukken (Vale vleermuis en bosvleermuis). Deze verbeteropgave is deels vervat in de geformuleerde doelstellingen voor habitattype 9160, 9130 en 9120.
Omschrijving populatiedoelstelling

Het voordragen van populatiedoelen voor deze soorten is onmogelijk, aangezien voor alle soorten te weinig gekend is van de populaties in het SBZ. Het is echter wel zinvol om aan te geven op welke vlakken de leefgebieden voor de vleermuissoorten in het SBZ-H kunnen verbeterd worden. Aangenomen wordt dat indien de biotopen maximaal verbeterd worden, de vleermuissoorten die daarbij gebaat zijn eveneens in een goede staat van instandhouding zullen verkeren.

Iedere soort heeft haar eigen ecologische niche en dus haar eigen vereisten inzake zomerverblijfplaatsen, jachtgebieden, winterverblijfplaatsen en connectiviteit. Toch zijn er een aantal algemene kwaliteitseisen te identificeren en kunnen op basis van de jachtbiotopen, aanvullende kwaliteitseisen geïdentificeerd worden. Met die kennis kunnen verbeteropgaven voor de leefgebieden in het SBZ-H geformuleerd worden.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

  • Bescherming, optimalisatie en behoud in een goede staat van alle gekende zomer- en winterverblijfplaatsen in gebouwen (en restanten ervan) in het SBZ-H en zoeken naar opportuniteiten om nieuwe verblijfplaatsen te creëren of te optimaliseren.
  • Toename van het aantal bomen met holten (naar boven uitgerotte spechtenholten, andere rottingsholten en losse schors), met een goede spreiding ervan over het gehele boscomplex. Richtwaarde uit de literatuur : 7 à 10 bomen met holten/ha (Meschede & Heller, 2000). De kans op holteontwikkeling neemt toe met de diameter van de bomen. Uit een studie van Dufour (2003) blijkt dat de kans op holten sterk toeneemt vanaf 250 cm omtrek (=5 % kans op holten). 1 op 3 bomen met een omtrek van 300 cm bleek holten te bevatten. Een toename van het aandeel dikke bomen (>250 cm) is dan ook aangewezen.
  • Defragmentatie van het Zoniënwoud. Het Zoniënwoud wordt gefragmenteerd door belangrijke verkeersaders met een aanzienlijk barrière-effect (E411 en RO). Verlichting en lawaai van dit wegennet vergroot dit barrière-effect nog voor vleermuizen. Deze fragmentatie is voor veel fauna-elementen een ernstig probleem. Alle effecten ervan op vleermuizen zijn nog niet gekend. Van bijvoorbeeld Bechsteins vleermuis is bekend dat ze erg lichtschuw is en drukke verkeeraders helemaal niet oversteekt (Kerth & Melber, 2009). Het nemen van ontsnipperende maatregelen voor het Zoniënwoud is dan ook als essentieel te beschouwen voor een duurzame instandhouding.
  • Het creëren van een netwerk van open plekken en boswegen met mantel en zoomvegetaties in het Zoniënwoud. Deze verbeteropgave is deels vervat in de geformuleerde doelstellingen voor habitattype 9160, 9130 en 9120.
  • Zones die niet volledig bebost zijn: behoud en ontwikkeling landschappelijke diversiteit (o.m. Kapucijnenbos, Marnix 2)
Omschrijving populatiedoelstelling

Versterken van de bestaande populatie(s) (Streefcijfer min. 20- 50 adulte dieren per populatie).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Uitbreiding en optimalisatie van het leefgebied zowel water- als landhabitat. Door habitatverbetering van 3150 en door aanleg of uitbreiding van boszomen en natte ruigten (6430) in de buurt van het waterhabitat.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Habitattoename van fragmentair naar 24 ha (9 ha 6230, 9 ha 4030, 9 ha 9120). Er worden 2 zones gezocht waarbinnen gestreefd wordt naar een mix van heischraal grasland, droge heide en eiken-berkenbossen (elk habitat telkens 1/3 van het oppervlak).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbeteren van de habitatkwaliteit door het instellen van een gericht beheer:

  • het vergroten van de habitatvlekken en door het creëren van natuurlijke gradiëntrijke situaties.
  • ontwikkelen van mantelzoomvegetatie op de bosrandzone
  • voldoende grote habitatvlekken (ook voor fauna)

Bij het herstel van dit habitat zal ook aandacht gaan naar het verhogen van de insectenrijkdom (voldoende voedselaanbod voor vleermuizen).

Omschrijving populatiedoelstelling

Het voordragen van populatiedoelen voor deze soorten is onmogelijk, aangezien voor alle soorten te weinig gekend is van de populaties in het SBZ. Het is echter wel zinvol om aan te geven op welke vlakken de leefgebieden voor de vleermuissoorten in het SBZ-H kunnen verbeterd worden. Aangenomen wordt dat indien de biotopen maximaal verbeterd worden, de vleermuissoorten die daarbij gebaat zijn eveneens in een goede staat van instandhouding zullen verkeren.

Iedere soort heeft haar eigen ecologische niche en dus haar eigen vereisten inzake zomerverblijfplaatsen, jachtgebieden, winterverblijfplaatsen en connectiviteit. Toch zijn er een aantal algemene kwaliteitseisen te identificeren en kunnen op basis van de jachtbiotopen, aanvullende kwaliteitseisen geïdentificeerd worden. Met die kennis kunnen verbeteropgaven voor de leefgebieden in het SBZ-H geformuleerd worden.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

  • Bescherming, optimalisatie en behoud in een goede staat van alle gekende zomer- en winterverblijfplaatsen in gebouwen (en restanten ervan) in het SBZ-H en zoeken naar opportuniteiten om nieuwe verblijfplaatsen te creëren of te optimaliseren.
  • Toename van het aantal bomen met holten (naar boven uitgerotte spechtenholten, andere rottingsholten en losse schors), met een goede spreiding ervan over het gehele boscomplex. Richtwaarde uit de literatuur : 7 à 10 bomen met holten/ha (Meschede & Heller, 2000). De kans op holteontwikkeling neemt toe met de diameter van de bomen. Uit een studie van Dufour (2003) blijkt dat de kans op holten sterk toeneemt vanaf 250 cm omtrek (=5 % kans op holten). 1 op 3 bomen met een omtrek van 300 cm bleek holten te bevatten. Een toename van het aandeel dikke bomen (>250 cm) is dan ook aangewezen.
  • Defragmentatie van het Zoniënwoud. Het Zoniënwoud wordt gefragmenteerd door belangrijke verkeersaders met een aanzienlijk barrière-effect (E411 en RO). Verlichting en lawaai van dit wegennet vergroot dit barrière-effect nog voor vleermuizen. Deze fragmentatie is voor veel fauna-elementen een ernstig probleem. Alle effecten ervan op vleermuizen zijn nog niet gekend. Van bijvoorbeeld Bechsteins vleermuis is bekend dat ze erg lichtschuw is en drukke verkeeraders helemaal niet oversteekt (Kerth & Melber, 2009). Het nemen van ontsnipperende maatregelen voor het Zoniënwoud is dan ook als essentieel te beschouwen voor een duurzame instandhouding.
  • Handhaving of herstel van ecologisch waardevolle vijvers: goede waterkwaliteit, natuurlijk visbestand in evenwicht met de draagkracht van het systeem en natuurlijke oevers. Deze verbeteropgave is reeds vervat in de geformuleerde doelstellingen voor habitattype 3150;
  • Verlichting in de omgeving van open water kan de kwaliteit van de zone als jachtgebied sterk doen afnemen (o.a. voor de lichtschuwe Watervleermuis). Waar mogelijk moet verlichting worden verminderd of uitgeschakeld. Nieuwe verlichting of verhoogde blootstelling aan verlichting (bv. door verwijderen van vegetatiescherm) moet vermeden worden;
  • Behoud en aanleggen van stroken met kruidige vegetaties (ruigten, bloemrijk hooiland) in de nabijheid van waterpartijen (verhogen insectenaanbod).
Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

  • Bescherming, optimalisatie en behoud in een goede staat van alle gekende zomer- en winterverblijfplaatsen in gebouwen (en restanten ervan) in het SBZ-H en zoeken naar opportuniteiten om nieuwe verblijfplaatsen te creëren of te optimaliseren.
  • Toename van het aantal bomen met holten (naar boven uitgerotte spechtenholten, andere rottingsholten en losse schors), met een goede spreiding ervan over het gehele boscomplex. Richtwaarde uit de literatuur : 7 à 10 bomen met holten/ha (Meschede & Heller, 2000). De kans op holteontwikkeling neemt toe met de diameter van de bomen. Uit een studie van Dufour (2003) blijkt dat de kans op holten sterk toeneemt vanaf 250 cm omtrek (=5 % kans op holten). 1 op 3 bomen met een omtrek van 300 cm bleek holten te bevatten. Een toename van het aandeel dikke bomen (>250 cm) is dan ook aangewezen.
  • Defragmentatie van het Zoniënwoud. Het Zoniënwoud wordt gefragmenteerd door belangrijke verkeersaders met een aanzienlijk barrière-effect (E411 en RO). Verlichting en lawaai van dit wegennet vergroot dit barrière-effect nog voor vleermuizen. Deze fragmentatie is voor veel fauna-elementen een ernstig probleem. Alle effecten ervan op vleermuizen zijn nog niet gekend. Van bijvoorbeeld Bechsteins vleermuis is bekend dat ze erg lichtschuw is en drukke verkeeraders helemaal niet oversteekt (Kerth & Melber, 2009). Het nemen van ontsnipperende maatregelen voor het Zoniënwoud is dan ook als essentieel te beschouwen voor een duurzame instandhouding.
Omschrijving populatiedoelstelling

Ontwikkelen van een duurzame populatie in het SBZ-H met meerdere broedplaatsen (minimum 4) op een onderlinge afstand van maximum 3 km. Gezien het feit dat het Vliegend hert een slechte kolonisator is, kan repopulatie of translocatie na biotoopverbetering overwogen worden om deze doelstelling te realiseren.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Realisatie van in totaal minimum 10 ha geschikt leefgebied, verspreid gelegen in het SBZ. Iedere geschikte zone moet echter een minimum oppervlakte van 1 ha hebben. De meest potentievolle zones zijn zuidhellingen en zuidranden van het bos.

Specifieke aandachtpunten voor de inrichting van leefgebied zijn:

  • Realisatie van ijle bosstructuren en open plekken aan de zuidranden en zuidhellingen van het bos. Maximale overschaduwing boomlaag: 50 %.
  • Continuïteit beschikbaarheid van voldoende dood hout, verspreid over het bos maar in het bijzonder nabij potentiële en effectieve broedplaatsen. Streefcijfers: min. 3 dikke (diam. > 40 cm) dode bomen/ha en de continuïteit van dit aanbod garanderen. Aanleg van kunstmatige broedhopen op geschikte locaties tot deze streefcijfers gerealiseerd worden.
  • Maximaal behoud van oude of zieke, aftakelende bomen (kwijnende bomen). Richtcijfer > 3 dikke levende bodem/ha.
Omschrijving populatiedoelstelling

Er wordt een populatie van min. 100 roepende mannetjes nagestreefd.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Habitatverbetering in SBZ-H (bosplaatsen Marnix 2 en eventueel Kapucijnenbos).

Dries Desloover
Agentschap voor Natuur en Bos