Laatvlieger

Eptesicus serotinus
Fauna
Zoogdieren

=

Behoud van het huidige areaal

=

Behoud van de huidige populatie

+

Oplossen van versnippering, niet afgestemd menselijk gebruik, tekort aan kwaliteit van het leefgebied. Geen extra oppervlakte leefgebied nodig naast de vooropgestelde extra oppervlaktes Europees te beschermen habitats en leefgebied van andere Europees te beschermen soorten en de algemene kwaliteitsverbetering ten gevolge van het huidige milieubeleid.

Zijn sonar heeft een piekfrequentie tussen 24 en 27 kHz. De draagwijdte van de sonar varieert tussen 20 en 50 meter.

De laatvlieger komt in Europa voor tot ongeveer de 55ste breedtegraad. Het zwaartepunt van de verspreiding is in Noordwest-Europa gelegen. Laatvliegers zijn gebonden aan het laagland. In gebergten zijn ze eerder zeldzaam. Ze bewonen dalen tot op een hoogte van 900 meter. In onze buurlanden is de soort algemeen.

In Vlaanderen komt de laatvlieger wijd verspreid voor. De dichtheid is lager dan bij de dwergvleermuis. Zijn voorkeur gaat uit naar halfopen landschap met een afwisseling van akkers, weilanden, houtwallen en bossen zoals in de Antwerpse Kempen. De grootste concentraties worden aangetroffen in het oosten van de provincie Antwerpen en in het noordoosten van de provincie West-Vlaanderen.

De Laatvlieger wordt gerekend tot de standvleermuizen (afstanden worden overbrugd tussen 40 en 50 km).

De voornaamste bedreiging vormt het verdwijnen en verstoren van geschikte winter- en zomerverblijfplaatsen.

De laatvlieger wordt gerekend tot de standvleermuizen. Ze blijven ter plaatse of leggen hooguit een paar kilometer af tussen zomer- en winterverblijf. Uitzonderlijk gaan ze ook veel verder (tot zelfs 330 km).
Ongeveer 15 minuten na zonsondergang verlaten de laatvliegers hun verblijfplaats. De maximumafstand waarover ze zich van de kolonieplaats verwijderen, varieert meestal tussen 2 en 6 kilometer.
In het voorjaar, tijdens de zwangerschap, zijn laatvliegers vooral de eerste uren van de nacht actief, waarna ze naar hun verblijfplaats terugkeren. Wanneer de jongen geboren zijn, keren de vrouwtjes een of meerdere keren per nacht naar de kolonieplaats terug. Deze periodes van afwisselend zogen en jagen kunnen dan tot de ochtend duren. In het najaar beperkt de activiteit zich opnieuw tot 1 jachtvlucht, die onmiddellijk na zonsondergang begint en hooguit enkele uren duurt.

Voorlichting naar eigenaars van gebouwen met kolonies en naar aannemers die renovatiewerken uitvoeren is noodzakelijk om het duurzaam behoud van geschikte verblijfplaatsen te garanderen

Deze soort heeft een voorkeur voor open en halfopen landschap. Jagen doen ze langsheen opgaande vegetatie. Steeds op enige afstand ervan verwijderd omdat daar dikwijls grote concentraties insecten zijn.
Uit mestonderzoek blijkt duidelijk een seizoensgebonden variatie in de prooien. Zo staan meikevers in het voorjaar op het menu. Sluipwespen, langpootmuggen en in mindere mate worden ook nachtvlinders gegeten. Tijdens de zoogperiode worden junikevers en mestkevers gegeten. Kokerjuffers en schietmotten zorgen voor voldoende prooiaanbod.
Tuinen, parken, boomgaarden en begroeide oevers in de omgeving van de kolonieplaats behoren ook tot hun jachtgebied.
De prooien worden meestal in de lucht gegrepen. Soms worden prooien van de grond af gegrepen.